Herkomst van de Wetterhoun

Toen de buitenlandse jachthonden nog niet zo in de mode waren werden in Friesland twee inheemse rassen voor de jacht gebruikt, de Stabyhoun en de Wetterhoun. De Wetterhoun werd veel gebruikt bij de jacht op waterwild en men zag de Wetterhoun dan ook hoofdzakelijk in het merengebied. Het was de hond van de kleine man, die met hem ging jagen, maar hem ook gebruikte als waakhond en voor het onschadelijk maken van ongedierte, zoals bunzings, mollen, ratten en zelfs, in de 19e eeuw, visotters.

De Wetterhoun zorgde voor aanvulling van het vaak karige arbeidersloon; de mollenvellen brachten een aardige bontprijs op. Ook nu nog wordt hij als verdelger van ongedierte zeer gewaardeerd. Ook werd de Wetterhoun vroeger veel gebruikt als trekhond: hij werd vaak voor de kar gespannen. Na de introductie van Pointers en Setters in het midden van de 19e eeuw verloren ze hun populariteit. De oorsprong van het ras is onduidelijk, al kwam in 1600 al een krulharige hond in Friesland voor. Het verhaal wil dat zigeuners wel eens dogachtige honden bij zich hadden en dat de Wetterhoun mogelijk uit kruisingen hiermee is ontstaan. Een andere theorie is dat ze door zeelieden via Harlingen zijn ingevoerd uit de Oostzeehavens. En misschien is er verband tussen de naam Wetterhoun en de Duitse jagersterm "wittern" (ergens lucht van krijgen). Of heeft de Wetterhoun zijn naam later gekregen en is het gewoon Fries voor waterhond (wetter is het Friese woord voor water)? Om allround gebruikshonden te krijgen werden de Stabyhoun en de Wetterhoun niet zelden met elkaar gekruist en nog altijd treft men Stabyhounen aan met een krulstaart of een licht gekrulde vacht

 Algemeen voorkomen Een eenvoudige hond, vanouds de hond voor de otterjacht, die zonder plomp of log te zijn, fors gebouwd is. Een hond, wiens huid goed gespannen is en die dan ook geen keelhuid, noch hanglippen vertoont en een kenmerkende, grimmige oogopslag..

Schofthoogte

reuen tot 59 cm, teven iets lager

Gewicht

25-32 kg

Vacht

Dichte krullen over het gehele lichaam, behalve op het hoofd en de onderbenen. De krullen bestaan uit vaste, stevige, gekrulde haarbundels, het haar is vrij grof en voelt vettig aan. Kleuren: effen bruin of effen zwart, verder zwartwit of bruinwit.

Hoofd
Een “droog” hoofd, dat in verhouding tot het lichaam fors en krachtig is. De snuit en schedel zijn even lang. De schedel is licht gewelfd en geeft meer de indruk van breed dan lang. De schedel gaat met een lichte ronding over in de wangen, waarvan de spieren matig ontwikkeld zijn. De overgang van de schedel in de snuit (stop) gaat geleidelijk en wordt slechts in geringe mate aangegeven. De snuit is krachtig en wordt maar weinig smaller naar de neus toe (zonder enige schijn van spitsheid en goed afgeknot). De neus is recht, dus van opzij gezien geen bolle en ook geen holle lijn tonend. Neusrug breed, neus goed ontwikkeld met goed geopende neusgaten. De lippen goed gesloten (niet overhangend), een krachtig en scharend gebit.

Oren
De oren zijn vrij laag aangezet met een niet sterk ontwikkelde oorschelp, zodat de oren goed gevouwen en zonder enige draai vlak tegen het hoofd worden gedragen. De oren zijn middelmatig lang en hebben de vorm van een troffel. De beharing is een typische eigenschap van het ras. Zij is gekruld, bij de basis van het oor vrij lang en neemt naar beneden in lengte geleidelijk af, terwijl het onderste 1/3 deel met kort haar is bezet.

Ogen
De ogen zijn middelmatig groot, eirond, met goed aangesloten oogleden, zonder bindvlies te laten zien. Zij liggen iets schuin in het hoofd, waardoor de wat grimmige uitdrukking ontstaat. Zij puilen niet uit en liggen ook niet diep. De kleur is donkerbruin voor honden met een zwarte grondkleur en bruin voor honden met een bruine grondkleur.

Neus
Zwart voor de honden met zwarte grondkleur en bruin voor honden met een bruine grondkleur. Niet gespleten en de neusgaten zijn goed geopend. Neusspiegel goed ontwikkeld.
 

Hals
De hals is kort, krachtig en rond in een zeer stompe hoek overgaand in de ruglijn, zodat het hoofd doorgaans laag gedragen wordt.   De hals is licht welvend en geen keelhuid of wammen.

Borst
Van voren gezien breed, meer breedte dan diepte tonend en daardoor staan de voorbenen vrij ver van elkaar. De onderborst is gerond en reikt niet dieper dan tot de ellebogen.


Lichaam
Het lichaam is zeer krachtig. De ribben zijn goed gerond met goed ontwikkelde achterribben. De rug is recht en kort met een weinig afvallend kruis. De lendenen zijn krachtig en de buik is maar matig opgetrokken.

Staart
De staart is lang, matig hoog gedragen en tot een spiraal opgerold, gebogen over het kruis, zodat de spiraal naast het kruis komt te hangen.
 

Voorhand
De schouder is goed aangesloten aan het lichaam. Het schouderblad is schuin geplaatst en goed gehoekt. Benedenarm krachtig, goed recht, voorvoeten recht, niet doorgezakt. De voeten zijn rond, tenen goed ontwikkeld en gebogen met krachtige voetzolen.

Achterhand
Krachtig, matige hoeking van darm- en dijbeen en van dijbeen en schenkelbeen. Schenkelbeen niet te lang. Hiel dicht bij de grond geplaatst, achtermiddenvoet is dus kort. Achtervoeten rond met goed ontwikkelde voetzolen.
 

Beharing
Behalve op het hoofd en de benen, overal bedekt met lichte krullen. Het zijn vaste, stevige krullen van bundels haar. Enkelvoudige krullen of krullen van te dunne haarbundels geven de hond een wollig aanzien en dat mag dus niet!   Het haar zelf is vrij grof en voelt iets vettig aan.
 

Kleur
Eenkleurig zwart of bruin, als mede zwart/witte en bruin/witte aftekening, waarbij het wit schimmel en/of spikkels mogen voorkomen.

 

Grootte  De ideale maat voor reuen is 59 cm en voor teven is dit 55 cm.

Gebruik

Tegenwoordig vooral gezinshond. Vroeger gebruikt voor de jacht, met name op waterwild en otters. Door hun bouw en vacht zijn ze uitermate geschikt voor de jacht in moerassige gebieden met veel riet. Ze drijven het wild op en apporteren nadat het geschoten is. Ze hebben een prima neus,

Gezondheid

De honden waarmee gefokt wordt, worden röntgenologisch onderzocht op de aanwezigheid van heupdysplasie.

Aard
Rustige hond met een onafhankelijk (eigenzinnig) karakter, enigszins gereserveerd tegenover vreemden.
Waaks en dus een ideale erfhond.